Via een zandweggetje vol met gaten naderen we het concentratiekamp Fort Breendonk.
Een groot fort dat er naargeestig uitziet, ondanks het feit dat het zonnetje er op schijnt.
Voor de poorten worden we geconfronteerd met het prikkeldraad dat zelf door de gevangenen is aangebracht. Zo werden ze afgesloten van de buitenwereld. Iedere vorm van contact werd bruut afgestraft met slaag. Als we het fort betreden stap je in een zwarte wolk vol met ellende. Mijn neefjes van 13 jaar, allebei HSP-ers, voelen het ook en worden misselijk en krijgen hoofdpijn.
Ze vragen aan mij of ik entiteiten zie en ik doe mijn best om zo luchtig en ontspannen mogelijk te blijven. Ik kan ze toch niet confronteren met het feit dat ik geschokt ben, omdat het is alsof ik midden in een oorlog sta!

Om me heen zie ik soldaten en gevangenen door elkaar heen lopen. Veel geschreeuw en gekreun en ik kan niet precies zeggen waar het vandaan komt. De gevangenen zien er erbarmelijk uit en ik schiet vol als ik het leed op hun gezicht zie. Veel tijd om erbij stil te staan heb ik niet, want mijn neefjes ervaren op gevoelsgebied van alles en nog wat en willen weten wat ze voelen. Ik heb ze helemaal afgesloten zodat ze niets kunnen zien, want ik zou niet willen dat dit een traumatische ervaring voor ze wordt.
We naderen een soort van kamer waar ik soldaten zie drinken en lachen. Ze hebben lol,want ze zijn aan het overleggen wie er morgen gemarteld wordt en wat ze met de man gaan doen. De wreedheid staat op hun gezicht af te lezen en ik begrijp niet dat mensen elkaar dit kunnen aandoen. Woede, onmacht en verdriet wisselen elkaar af en ik ben blij dat de jongens even bij mijn man staan zodat ik mezelf kan herpakken.
We wandelen verder en keer op keer zie ik taferelen die wreed zijn. Als we naar buiten worden geloodsd door de wandelroute, haal ik opgelucht adem en ben blij met de frisse lucht en het zonnetje. We gaan even op een bankje zitten met z’n viertjes. Dan vraagt één van de jongens of ik ook met de entiteiten kan praten. Ik beaam het en hij vraagt of ik eentje wil vragen wat hij heeft meegemaakt.

Tegenover ons staat een jongen heel schichtig om zich heen te kijken. Als ik contact met hem leg is het eerste wat hij fluistert : ‘Kijk uit, als ze je pakken dan ben je het haasje’.
Hij heeft niet in de gaten dat hij overleden is en is op de vlucht voor de soldaten. Ik leg hem uit dat de kust veilig is en even ontspant hij. Hij is 19 jaar en is bruut uit zijn huis gerukt. Zijn vader was een rijke bankier in de buurt van Rijssel en deze is naar een werkkamp in Polen getransporteerd. Hij had de zorg voor zijn broertje van negen jaar en zijn moeder. Dat is nu nog steeds zijn grote zorg. Hij wil hier ontsnappen, zodat hij op zoek kan gaan naar zijn familie. Mijn neefjes volgen de hele conversatie en vinden dat ik nu hem maar moet vertellen dat hij gestorven is. Ik leg ze uit dat je dat niet zomaar op iemands bord kan neerleggen, maar het subtiel moet vermelden. Als je ineens benaderd wordt door iemand en die gaat je zomaar vertellen dat je dood bent,dan is het toch erg ongeloofwaardig?
Voorzichtig leg ik de jongeman uit dat de oorlog voorbij is. Hij negeert me alsof ik onzin sta te kletsen. Nogmaals vertel ik hem dat hij gestorven is en ik attendeer hem op zijn kleding waar je duidelijk kunt zien dat hij geëxecuteerd is. Hij is in paniek als hij tot het besef komt dat hij dood is en het enige wat hij roept: ‘Mijn broertje, mijn broertje, hoe vind ik nu mijn broertje?’ Ik beloof hem dat ik hem zal sturen naar een dimensie waar ze weten waar zijn broertje en de rest van de familie is en waar hij eindelijk vrij is. Hij kijkt me aan en voordat hij wat kan antwoorden, zie ik hem vertrekken naar de dimensie van rust.
Eindelijk heeft hij de rust die hij zocht.

We wandelen verder en 30 meter verderop zie ik een menigte staan. Soldaten staan daar met geweren en vuren het af op iets en ik vermoed dat het mensen zijn. Ik wijs naar de plek en vertel dat ik vermoed dat daar een executieplek was. Als we de plek naderen zie ik een bord hangen van de gevangenen die daar gedood zijn en ik ben geschokt. De naam van de jongen waar ik net contact mee gehad heb staat erbij.
Slechts een regel van een paar letters op een bord is hij geworden.
Tientallen namen staan er op het bord en ik weet nu dat achter elke naam een heel triest verhaal zit. Aan de palen zie ik nog gevangenen staan die doodgeschoten zijn en mijn maag draait drie keer om. Achter me staan drie galgen en ook deze plaatsen zijn bezet. Als je niets kunt waarnemen dan is dit al een plek waar je naar van wordt. Maar als je die dimensie kunt zien en dus ook kunt beleven is het zo verschrikkelijk om te zien wat er gebeurd is.
Nu heb ik echt genoeg ervaren en we wandelen snel door het laatste gedeelte van het fort. De martelkamer, slaapzalen, duistere gangen waar veel bruut geweld is gepleegd zien we ook nog. Als we in de cellen komen dan is er één cel dat door zijn tekening meer zegt dan duizend woorden. Op de muur staat een afbeelding van Jezus getekend!

Fort Breendonk, een concentratiekamp die erg veel indruk op ons gemaakt heeft. Ik mocht even een paar uurtjes ervaren wat onschuldige gevangen hebben meegemaakt. Gevangen omdat ze anders zijn. Gevangen omdat ze een ander ras hebben en een andere religie.
We zijn nu 75 jaar verder en helaas moet ik constateren dat er anno 2015 elders op de wereld nog steeds van dit soort gruwelijkheden gebeuren.

Wanneer gaat de mens begrijpen dat ‘anders zijn mag, omdat een mens niet in een hokje past’?