Uit een Europese studie blijkt dat 1 op de 10 mensen tussen de 12 en 30 jaar oud een eetstoornis heeft (gehad). Waar men eerder beweerde dat het hierbij voornamelijk om jonge vrouwen ging, blijkt nu dat eetstoornissen ook bij mannen een steeds vaker voorkomend probleem zijn. Alleen al aan anorexia nervosa komen er per jaar ongeveer 1300 patiënten bij.  Annabel vertelt hoe zij als jong meisje te maken kreeg met deze ziekte…en hoe zij overwon.

Deel 3

Zoals ik al vertelde blonk ik uit op school. Ik wilde de creatiefste zijn. Ik was namelijk een perfectionist. Een streber, die alles onder controle wilde houden. Bijna op elk vlak. Let op het woord controle, want dat woord gaat in dit verhaal een zeer belangrijke rol spelen.

ZAADJE GEPLANT
Bij  die kapper ben ik uiteindelijk weggegaan. Ik had enorme eczeem, en niet alleen op mijn handen. Dit kwam natuurlijk niet alleen door alle chemische middelen; de uitslag zat werkelijk overal, mijn lichaam zat vol met vlekken. Het was pure stress. Wel een goed excuus om af te haken. Kapster worden hoefde voor mij ook niet meer. Kort daarna was de eczeem weg.  Toen ik eenmaal gestopt was, heb ik in een emotioneel gesprek met mijn moeder alles wat daar in die kapsalon gebeurd was, eruit gegooid. Ik dacht dat ik het verwerkt had, maar niets was minder waar. Er was een zaadje geplant  in mijn hersenen, een gevaarlijk zaadje, eentje die mij ontzettend onzeker maakte. Eentje die mij mezelf af liet vragen: ben ik dik en lelijk?  Ja, dat vond ik eigenlijk wel, besloot ik.

Inmiddels was ik met een nieuwe opleiding gestart in het toerisme, een lukrake keuze. Wist ik veel wat ik wilde doen. Deze opleiding duurde een jaar  en daarna volgde ik een vervolgopleiding. Tijdens deze opleiding van een jaar is het afvallen schrikbarend snel gegaan.  Ik begon met minder snoepen en wat minder eten. Hierdoor viel ik al veel af. Ik kreeg heel veel complimentjes over mijn figuur. Ook mijn moeder vond het goed staan, maar waarschuwde mij wel dat het nu wel genoeg was.  ‘Wat zie je er goed uit!’ Heerlijk vond ik dat. Eigenlijk voelde ik me nog steeds niet blij, wellicht lichtelijk depressief? Ik voelde dat ik geen controle over mijn leven had, het liep gewoon door zonder dat ik ergens achter stond. Maar er was één ding waar ik wel controle over kon houden en dat was mijn gewicht.

WEEGSCHAAL
De weegschaal werd een zeer belangrijk instrument in mijn leven. Een onmisbare zelfs. Elke dag ging ik er 1x op staan op een vast tijdstip en was gebiologeerd  door de streepjes die aangaven hoe het ermee stond. Wat heerlijk, die controle!  Zelfs de ruimte tussen de streepjes werd belangrijk en motiveerde me om meer af te vallen wanneer dit eens hoger uitviel.  Al snel stond ik meerdere keren per dag op de weegschaal. Het werd een obsessie. Ergens in je achterhoofd weet je dat dit niet gezond is, maar dat negeer je. Je bent dan al te ver in deze ziekte. Hiervóór ligt ergens die scheidingslijn waarin je nog veilig bent.

COMPLIMENTJES
Ik viel meer en meer af.  Maar ik kreeg nog steeds heel veel complimentjes over mijn ‘mooie’ figuur. Ik verbaasde mij daarover, was het dan nog niet genoeg? Nou nog meer afvallen dan maar. Mijn moeder was de enige die mij regelmatig aansprak op het afvallen. Ik vond dat ze zeurde. Daarom ging ik ook veel de deur uit, werd ik tenminste niet gecontroleerd. De opleiding rondde ik af met een gewicht zo rond de 46 kilo.  Mijn normale gewicht is 53 kilo; ik ben namelijk erg klein en tenger gebouwd.

Op de vervolgopleiding en daarna ging de obsessie van controleren op de weegschaal steeds verder. Anorexia is een echte sluipmoordenaar; je krijgt deze ziekte niet van de ene op andere dag. Soms bleef ik even wat maanden hangen op een bepaald gewicht. Dan was ik tevreden. Ik kocht kleding die ik daarvoor nooit aan kon. Ik was zelfs dunner dan mijn zus! Ik dacht dat ik veel zelfvertrouwen had, maar dat was natuurlijk niet echt zo. Dat straalde ik alleen maar uit naar buiten.

ETENSTIJD WAS VRESELIJK
Mijn moeder begon op een gegeven moment toch wel erg irritant te worden, steeds meer keek ze naar mijn bord als ik ’s avonds het eten opschepte. Ik probeerde zo nonchalant mogelijk te doen. Ondertussen was er een totale chaos in mijn hoofd gaande:  ‘Hoeveel jus zal ik nemen en hoe groot zijn de aardappels?’ Vanuit mijn perspectief waren ze enorm natuurlijk. Etenstijd was vreselijk. Met een mes sneed ik de aardappelen stiekem door in de pan, om het gewenste stukje op mijn bord te krijgen. Als mijn moeder weer begon te ‘zeuren’ schepte ik meer op. Mezelf belovend dat ik het de volgende dag wel weer zou compenseren wanneer ze het niet doorhad. Mijn gedachtes bestonden tegen die tijd enkel en alleen nog maar uit vragen over eten in mijn hoofd. Er was geen ruimte voor wat anders meer. Het is ongelooflijk dat ik mijn beide opleidingen gehaald heb.

Deel 1, deel 2

Lees volgende week het vervolg van Annabel, hier bij Taboe.