Als tienjarig meisje zat ik in een overvolle klas van zestig leerlingen, heel normaal in die tijd. We zaten met z’n tweeën in een schoolbank onder streng toezicht, want als je je verroerde of even tegen je buurvrouwtje kletste, werd dit zwaar bestraft. De juf vertelde ons herhaaldelijk dat onze engelbewaarder altijd naast ons zat. Aan de ene kant vond ik het een heerlijk idee dat er een engel dag en nacht over me waakte. Aan de andere kant maakte ik het mezelf moeilijk door dit hemelse wezen met zo veel eerbied te behandelen, dat ik haar letterlijk alle ruimte gaf. Mijn engelbewaarder was zó belangrijk voor mij, dat ik bijna mijn hele lagere schoolperiode doorbracht op het puntje van de bank van m’n veel te krappe schoolbank.

TICKET VOOR DE HEMEL
Twee keer per week hadden we godsdienstles. Onze directrice was non en deze belangrijke lessen gaf zij altijd in hoogst eigen persoon. Als de dag van gisteren zie ik haar nog binnenkomen. Waardig schreed zij de klas binnen, het godsdienstboekje triomfantelijk in de hand geklemd… de klas doodstil. We wisten natuurlijk maar al te goed dat met haar niet te sollen viel. Bij het minste of geringste zat je op de strafbank, waar je je openlijk moest schamen. De duur van de straf was afhankelijk van de schaamte en van het berouw dat je toonde. Trots als ik was kon ik moeilijk berouw tonen, dus bracht ik menig uur op de strafbank door.

Officieel stond op het lesrooster Katechismusles. Het boekje waaruit gewerkt werd, heette katechismusboek, een godsdienstboek waar vragen en antwoorden in stonden over de katholieke leer, die je allemaal uit je hoofd moest kennen. Je kreeg hiervoor een cijfer, en bij een goed cijfer was je een goed katholiek. Hiermee had je je ticket verworven om de Hemel in te mogen. De godsdienstlessen begonnen steevast met de prangende vraag: “Waartoe zijn wij op aarde ?” En iedereen in koor: “Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor gelukkig te zijn.” Een goedkeurend knikje van de non en de motor was opgestart.

HEL EN VERDOEMENIS!
Haar stokpaardje was De Erfzonde. Er ging geen les voorbij zonder zonden. Adam en Eva hebben ons toch wel het een en ander geflikt zeg! Door hun hoogmoed, om gelijk te willen zijn aan God, werden we erfelijk belast. En daarom wordt ieder kind nu geboren met de Erfzonde.  “Maar,” zei de non, “God is liefde! Hij heeft het Doopsel ingesteld en door het Doopsel wordt deze belastende Erfzonde door Hem weggewassen. Kindertjes die niet gedoopt zijn gaan naar het Vagevuur, een soort voorportaal van de hemel, waar je ziel eerst schoon moet branden, voordat je de Hemel mag betreden. Zó liefdevol is God om ons nog een kans te geven.”

Ook waren er volop prentenboeken met brandende zieltjes in het vagevuur. Maar het plaatje van de Hel maakte op mij de meeste indruk. Ik durfde het ook nauwelijks te bekijken. Een groot, alles verterend vuur vol wegkwijnende zielen, en op de achtergrond een angstaanjagende duivel, compleet met hoorntjes en hooivork met extra lange punten. Ik nam in paniek meteen de beslissing om nooit of te nimmer zover af te glijden, zodat mij zo’n ellendig lot bespaard zou blijven. De Hel was definitief, hier kwam je nooit meer uit. Mijn aversie tegen die liefdevolle God begon te groeien, vooral bij het zien van deze beelden. Ja, God was een prima vent, als je het maar deed zoals Hij het wilde. Maar owee als je bij Hem in ongenade viel, dan wachtte je hel en verdoemenis!

Iedere dag werd er nadrukkelijk op gehamerd, dat we onze zieltjes uiterst zorgvuldig moesten bewaken. Bij ieder brutaal woord, ongehoorzaamheid of stelen uit de suikerpot kreeg de ziel er een vlekje bij. “En denk erom”,  zei de non, “als je steeds meer vlekjes maakt, dan zit je binnen de kortst mogelijke tijd helemaal vol. En dan mag je de hemel niet in, voordat je in het vagevuur bent schoongebrand.” Voor mij als 10-jarige was dit een heel verontrustend vooruitzicht. Hoe vaak ben ik niet koppig, dwars of brutaal geweest ? Hoe vaak heb ik snoepjes gestolen? Zou mijn zieltje al helemaal besmeurd zijn, of had ik misschien nog enige reserve?

WEGGESTOPT IN EEN PUTJE
Ik groeide op en werd een oppassend kind. Ik werd een echte denker en ik observeerde mezelf nauwkeurig. Ik observeerde het leven, want er gebeurde zoveel wat ik niet begreep. En alles wat ik niet begreep, stopte ik in een putje. Alle gedachten over seksualiteit, over relaties, normen en waarden waar ik niets van snapte liet ik meteen in het putje verdwijnen, niet wetende dat alles wat je wegstopt, eens toch weer naar boven moet komen om verwerkt te worden.

Toen ik de lagere school verliet, had ik als rapportcijfer een 10 voor godsdienst. Mijn moeder was trots op mij. Zij had het maximale uit haar dochter gehaald, net zoals ook zíj het bij haar eigen moeder heeft moeten doen. Een 10 voor godsdienst kon je vroeger beschouwen als een soort garantie dat je als een goed christen zou opgroeien. Maar het putje begon bij mij aardig vol te raken, en na verloop van tijd borrelde het over en het deksel vloog eraf. Alle weggestopte trauma’s kwamen naar boven en ik werd angstig en onzeker. Mijn zelfvertrouwen kreeg een enorme deuk en ik ging door een hel.

HEMEL EN HEL OP AARDE
Maar dankzij deze moeilijke tijd ben ik enorm gegroeid. Ik leerde relativeren en de dingen in de juiste context te zien. Ik ging begrijpen dat dingen vaak erger lijken dan ze zijn. Ik leerde dat ieder mens dingen op zijn eigen manier interpreteert en ervaart.

Tóen begon mijn echte leven pas. Een leven vol vreugde en inzicht, en na verwerking van alle jeugdtrauma’s is het met mij helemaal goed gekomen. Ik ben dik tevreden met mijn leven en ik ben een gelukkig mens. Al deze ervaringen hebben mij tot dit inzicht gebracht: Hemel en Hel zijn geen plaatsen waar je naar toe gaat. Hemel en Hel zijn hier op aarde. Hemel en Hel zijn een zijnstoestand die ieder mens voor zichzelf creëert.